De norm op dit punt in tegenspraak is.
In artikel 5.3 m.b.t. de omvang van een bliksembeveiligingsinstallatie en de kenmerken van een LP3 installatie staat expliciet dat de afgaande leidingen om de 20 m moet worden aangebracht.
In artikel 6.3 m.b.t. afgaande leidingen staat in Tabel 3 dat de gemiddelde afstand tussen de afgaande leidingen maximaal 15 m moet zijn, bij een daknet met een basismaaswijdte van 10 x 20 m (uitgaande van gebouwen tot 25 m hoogte).
In de praktijk wordt vaak 15 m toegepast, ondanks dat (volgens onderstaande toelichting) 20 m ook mag.
Om hier een uitspraak te kunnen doen, is achtergrond informatie nodig.
Achtergrond informatie:
In bijlage C staat dat een daknet bij metalen daken een lagere opvangefficiëntie aanwezig heeft, dan bij normale daken. Om dezelfde opvangefficiëntie te krijgen moet de maaswijdte bij metalen daken kleiner zijn.
Verkleining van de maaswijdte heeft niet direct te maken met afslag gevaar.
Derhalve hoeft bij metalen daken de afstand tussen afgaande leidingen niet kleiner gemaakt te worden.
Dus afgaande leiding om de 20m is in principe goed.
Ondanks dat in de praktijk 15 m vaak wordt toegepast.
Echter met deze 15 m voldoet de installatie wel aan de norm, omdat men altijd minder dan 20 m mag kiezen.
Opmerkingen:
De norm NEN 1014 moet men van voor naar achter lezen. Basis regels (welke meestal voorin staan) hebben voorrang op afwijkingen en aanvullingen, tenzij dit duidelijk vermeld staat (bijvoorbeeld: "in afwijking van artikel....").
Zoals in de inleiding staat vermeld bevat hoofdstuk 5 omschrijvingen en beschouwingen die noodzakelijk zijn voor het hanteren van het technische deel van de norm, zoals hoofdstuk 6.
In artikel 5.4. staat afzonderlijk de 20 m voor de afstand tussen de afgaande leidingen expliciet genoemd, ongeacht de genoemde basismaaswijdte.
Daarnaast wordt bij de 10 x 20 m maaswijdte een verwijzing gemaakt naar hoofdstuk 12 en 19.
Hierin staat dat geen punt van het dakvlak meer dan 5 m van een opvanginrichting mag zijn verwijderd. Hieruit haalt men dat men geen 20 x 20 m mazen mag gebruiken, maar 10 x 20 m mazen.
Daarnaast wordt in artikel 6.3 Tabel 3 niet aangeven staat voor welke klasse de genoemde basismaaswijdte bedoelt is.
Kijken we naar artikel 5.5 (LP4), staan daar wel verschillende afstanden tussen de afgaande leidingen genoemd, afhankelijk van de verschillende dakvangnet maaswijdte.
Dit omdat bij LP 4 installaties het afslag gevaar een grotere rol speelt in de beveiligingsgraad.
Hier staat expliciet; afgaande leidingen om de 20 m bij een normale dakconstructie en om de 10 m bij daken waarin metaal is verwerkt.
Concluderend kan men stellen dat afgaande leidingen om de 15m in de omschrijvingen van de installaties (artikel 5) nergens genoemd staat.
Dat men deze afstand indirect uit de tabel 3 haalt is een logisch gevolg, echter is het geen "must".
Overname uitsluitend toegestaan met bronvermelding